nieuws

  • Overeenkomst gedeeltelijk niet uitgevoerd, hele aanspraak belast


    Als een werknemer met zijn (voormalige) werkgever een ontslagvergoeding overeenkomt die de werknemer in een stamrecht-bv wil onderbrengen, dan moet de hele ontslagvergoeding als stamrecht worden aangemerkt zoals is afgesproken in de overeenkomst. Wordt een deel van de vergoeding niet meegenomen als stamrecht, dan is volgens de Hoge Raad de hele aanspraak belast.

    Een werknemer komt in februari 2002 met zijn werkgever overeen dat hij wegens beëindiging van zijn dienstbetrekking een aanspraak op periodieke uitkeringen (een stamrecht) meekrijgt, waarvan de waarde wordt vastgesteld op € 1.361.340. Op 3 april 2002 richt de werknemer een bv op. Al eerder werd een stamrechtovereenkomst opgesteld tussen de bv i.o. van de werknemer en de werkgever. Op 12 maart 2002 heeft de werkgever het bedrag ad € 1.361.340 overgemaakt op de bankrekening van de bv i.o. De bv heeft de stamrechtovereenkomst na haar oprichting bekrachtigd. Nadat de bank op 12 maart 2002 zonder opdracht een bedrag van € 225.000 van de rekening van de bv op de rekening van de werknemer had gestort en deze boeking op 4 april 2002 werd teruggeboekt, boekte de bv een bedrag van € 226.890 over op rekeningen van de werknemer. Uit de jaarrekening van de bv blijkt dat de bv € 1.136.340,65 als stamrechtkapitaal aanmerkt. Na oprenting bedraagt het kapitaal eind 2002 € 1.171.956. De inspecteur heeft een navorderingsaanslag IB 2002 opgelegd en het belastbaar inkomen van de werknemer verhoogd met € 1.171.956 wegens bijtelling afkoop stamrecht. De werknemer is het hier niet mee eens en stapt naar de rechter. Volgens het hof was het blijkbaar de bedoeling van de werknemer om niet het hele bedrag dat hij van zijn werkgever ontving te gebruiken voor de stamrechtverplichting. Daarom moet het verschil van € 225.000 als inkomen uit werk en woning worden aangemerkt. Dat van het gehele door de werkgever gestorte bedrag een gedeelte niet als storting voor een stamrecht is aangewend, wil volgens het hof niet zeggen dat de stamrechtverplichting als afgekocht moet worden beschouwd. Ook was volgens het hof de oprichting van de bv op het moment dat het bedrag door de werkgever werd overgemaakt al in een zodanig stadium dat de bv als een verzekeraar op basis van de Wet LB kon worden aangemerkt, zodat de stamrechtvrijstelling van toepassing kon zijn. Volgens de Hoge Raad is de stamrechtvrijstelling inderdaad van toepassing, omdat de bv binnen redelijke termijn na het sluiten van de stamrechtovereenkomst is opgericht en de stamrechtovereenkomst ook binnen een redelijke termijn heeft bekrachtigd. Maar omdat de werknemer met zijn werkgever was overeengekomen dat de ontslagvergoeding in zijn geheel zou worden omgezet in een stamrecht en de werknemer een bedrag van € 225.000 niet in de stamrechtverplichting heeft ondergebracht, is de aanspraak op periodieke uitkeringen gedeeltelijk tenietgegaan. Daarmee heeft de werknemer de aanspraak op periodieke uitkeringen, zoals die door de werkgever was toegekend, gedeeltelijk afgekocht. Op grond de Wet LB moet daarom de volledige waarde van die aanspraak tot zijn loon en daarmee tot zijn inkomen uit werk en woning worden gerekend. De navorderingsaanslag is daarmee terecht opgelegd. NB. De stamrechtvrijstelling is per 1 januari 2014 afgeschaft. Bestaande stamrechten worden in 2014 bij uitkering voor 80% in de heffing betrokken. Bron: HR, 14-11-2014

  • Angst voor onrust onvoldoende voor geheimhouding


    De SER-commissie Bevordering Medezeggenschap vindt dat bestuurders terughoudend moeten zijn bij het opleggen van een geheimhoudingsplicht aan de ondernemingsraad. 'Angst voor onrust' is volgens de commissie een onvoldoende argument.

    De SER-commissie Bevordering Medezeggenschap (CBM) heeft aanbevelingen opgesteld voor bestuurders en OR-leden over het omgaan met de geheimhoudingsplicht. Voor een geheimhouding kunnen goede redenen zijn, maar het belemmert ook de OR bij het contact met de achterban. De CBM onderscheidt drie categorieën gegevens die onder de geheimhoudingsplicht vallen: zaken- en bedrijfsgeheimen (passieve geheimhouding); informatie ten aanzien waarvan geheimhouding is opgelegd (actieve geheimhouding) en gegevens waarvan men in verband met een opgelegde geheimhoudingsverplichting heeft moeten begrijpen dat deze een vertrouwelijk karakter hebben (passieve geheimhouding voortvloeiend uit actieve geheimhouding). Volgens de CBM moeten bestuurders terughoudend gebruikmaken van het actief opleggen van een geheimhoudingsplicht. Bestuurders moeten goed uitleggen waarom er een plicht tot geheimhouding is over een bepaald onderwerp en daarbij het onderwerp helder afbakenen. Ook moet duidelijk worden aangegeven tot welke datum de geheimhoudingsplicht geldt. Alleen 'angst voor onrust' is volgens de CBM onvoldoende argument voor geheimhouding, zeker als de gevolgen voor de werknemers aanzienlijk zijn (werkgelegenheid, arbeidsvoorwaarden). Het tijdig delen van informatie kan onrust dan juist vaak voorkomen. De ondernemingsraad moet zich bewust zijn van zijn positie en zich bij achterbancontact steeds afvragen of er sprake is van een passieve of een actief opgelegde geheimhoudingsplicht. De medezeggenschap is erbij gebaat dat partijen in een vroeg stadium informatie over mogelijke besluiten delen. Dan kan geheimhouding soms helpen om vertrouwelijk in alle openheid met elkaar te kunnen spreken. Ook vindt de CBM dat de actief opgelegde geheimhoudingsverplichting de OR, in de periode direct voorafgaande aan het geven van advies of instemming, niet mag hinderen in zijn raadpleging van de achterban over onderwerpen die voor die achterban van wezenlijk belang zijn. Bron: SER 13-11-2014

  • Twijfels aan 150 km-criterium


    De advocaat-generaal bij het EU Hof van Justitie heeft een conclusie uitgebracht over de 150 kilometergrens in de 30%-regeling. Volgens advocaat-generaal Kokott kan een dergelijke regeling alleen als deze uitsluitend pendelaars zonder extraterritoriale kosten uitsluit.

    De zaak betreft een Duitse werknemer die in de twee jaar voor zijn tewerkstelling in Nederland in 2012 op minder dan 150 kilometer van de Nederlandse grens woonde. Om die reden werd de toepassing van de 30%-regeling geweigerd. In deze zaak heeft de Hoge Raad prejudiciële vragen gesteld aan het Europese Hof van Justitie. De Hoge Raad wil weten of er in geval van het 150 kilometercriterium sprake is van een - rechtvaardiging behoevend - indirect onderscheid naar nationaliteit dan wel een belemmering van het vrije verkeer van werknemers. En zo ja of hier een dwingende reden voor is en daarmee het beoogde doel wordt bereikt. Volgens de AG wil de Hoge Raad in wezen vernemen of het 150 kilometercriterium verenigbaar is met het vrije verkeer van werknemers als bedoeld in artikel 45 VWEU. Volgens de AG is het bijzondere bij dit criterium dat er onderscheid wordt gemaakt tussen sommige niet-ingezetenen ten opzichte van andere niet-ingezetenen, terwijl het doorgaans bij vragen over het vrij verkeer van werknemers gaat over het onderscheid tussen ingezetenen en niet-ingezetenen. Daarom moet de vraag worden beantwoord of het vrije verkeer van werknemers ook een verschil in behandeling tussen niet-ingezetenen in beginsel verbiedt. Hierover stelt de AG dat het vrije verkeer van werknemers niet alleen een nadelig verschil in behandeling van niet-ingezetenen ten opzichte van ingezetenen principieel verbiedt, maar ook een verschil in behandeling tussen niet-ingezetenen van verschillende lidstaten. Vervolgens is de AG van mening dat de situatie van een werknemer die op minder dan 150 km van de Nederlandse grens woont objectief vergelijkbaar is met die van een werknemer die op een grotere afstand van die grens woont. Het Nederlandse standpunt dat beide werknemers niet vergelijkbaar zijn met betrekking tot de extraterritoriale kosten, volgt de AG niet. De extraterritoriale kosten zullen slechts gradueel verschillen wanneer men werknemers vergelijkt die slechts iets meer of iets minder dan 150 kilometer van de Nederlandse grens wonen. Volgens de AG draagt het criterium bij tot de doelstelling om buitensporige voordelen van de 30%-regeling voor bepaalde werknemers te vermijden en concurrentieverstoringen binnen de categorie van niet-ingezeten werknemers te voorkomen. De maatregel is volgens de AG ook geschikt om niet-ingezeten werknemers die in Nederland geen tweede woning aanhouden en dus minder extraterritoriale kosten hebben van de 30%-regeling uit te sluiten. De AG betwijfelt echter of een vereenvoudigingsregel als het 150 kilometercriterium evenredig is. Immers, of een niet-ingezeten werknemer kan pendelen - en dus minder of geen extraterritoriale kosten heeft - is veeleer de afstand van de woonplaats tot de plaats van het werk van belang. De AG komt tot de conclusie dat een nationale bepaling die een belastingvoordeel zoals de 30%-regeling afhankelijk maakt van een voorwaarde zoals het 150-kilometercriterium slechts verenigbaar is met artikel 45 VWEU wanneer dit criterium in de overgrote meerderheid van de gevallen niet-ingezeten werknemers identificeert die dagelijks naar hun werk in Nederland kunnen pendelen, en in de tweede plaats dergelijke werknemers in feite niet worden geconfronteerd met extraterritoriale kosten in de zin van de forfaitaire regeling. Of deze voorwaarden vervuld zijn, dient de verwijzende rechter uit te maken. Bron: Conclusie AG EU HvJ 13-11-2014

  • Versnelde verhoging AOW-leeftijd


    De staatssecretarissen Klijnsma en Wiebes hebben het wetsvoorstel versnelde verhoging AOW-leeftijd naar de Tweede Kamer gestuurd. Door dit wetsvoorstel zal de pensioengerechtigde leeftijd in de jaren 2016 tot en met 2018 jaarlijks met drie maanden en in de jaren 2019 tot en met 2021 jaarlijks met vier maanden stijgen.

    Door de voorgestelde verhoging zal de pensioengerechtigde leeftijd van 67 jaar al in 2021 worden bereikt. Op basis van de huidige wetgeving zou dat pas in 2023 zijn. Vanaf 2022 kan de AOW-leeftijd jaarlijks in stappen van drie maanden worden aangepast aan de ontwikkeling van de gemiddelde resterende levensverwachting. Een verhoging van de AOW-leeftijd wordt minimaal vijf jaar van tevoren aangekondigd. Dat betekent dat per 1 januari 2017 voor het eerst wordt bekeken wat de levensverwachting is en of deze aanleiding geeft om de AOW-leeftijd in 2022 te wijzigen. Dit zal vervolgens jaarlijks worden gedaan. Aan de hand van een formule wordt bij algemene maatregel van bestuur (amvb) een besluit genomen over de verdere verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd. In lijn met de versnelde verhoging van de AOW-leeftijd wordt ook de mogelijkheid versneld aangepast om onder bepaalde voorwaarden in aanvulling op het ouderdomspensioen een fiscaal gefaciliteerd deelnemingsjarenpensioen op te bouwen. Het deelnemingsjarenpensioen is bedoeld om werknemers die al op jonge leeftijd zijn begonnen met werken een paar jaar eerder met pensioen te laten gaan. Bij de invoering van de regeling maakte het deelnemingsjarenpensioen het mogelijk om na 40 zogenoemde deelnemingsjaren (jaren waarin is deelgenomen aan een pensioenregeling) twee jaar voorafgaande aan de AOW-leeftijd met een redelijke uitkering met pensioen te gaan. De relevante grenzen voor het deelnemingsjarenpensioen (leeftijds- en deelnemingsjarencriterium) worden overeenkomstig de verhoging van de AOW-leeftiijd aangepast. In het verlengde van de voorgestelde versnelde ophoging van de AOW-leeftijd worden daarom ook bij het deelnemingsjarenpensioen de relevante grenzen versneld gewijzigd. Bij iedere wijziging van de AOW-leeftijd wordt zowel het vereiste aantal deelnemingsjaren als het leeftijdscriterium op overeenkomstige wijze aangepast. De wijziging van het deelnemingsjarenpensioen treedt steeds in werking op het moment van de verhoging van de AOW-leeftijd. Bron: MvF 17-11-2014

  • Geen akkoord cao Bereide verf- en drukinktindustrie


    De werkgevers verenigd in de Vereniging van Verfgroothandelaren in Nederland (VVVF) hebben het onlangs tot stand gekomen onderhandelingsresultaat voor de nieuwe cao afgewezen. De achterban van CNV Vakmensen had wel ingestemd met het onderhandelingsresultaat.

    De werkgevers hebben het onderhandelingsresultaat afgewezen in verband met onbedoelde gevolgen van de werkingsfeer, zoals deze is opgenomen in de gebruikelijke tekst van de cao. De cao voor de bereide verf- en drukinktindustrie geldt voor producerende ondernemingen die lid zijn van de VVVF, tenzij een andere cao 'gebruikelijk dan wel van toepassing is'. Enkele leden, waaronder AkzoNobel en PPG, zijn de afgelopen decennia uitgezonderd geweest van deze cao, omdat zij een eigen cao afsluiten. De ondernemings-cao's van AkzoNobel en PPG zijn eerder dit jaar afgelopen, maar nog niet vernieuwd (bij Akzo Nobel is inmiddels wel een principeakkoord tot stand gekomen). Als de VVVF nu een nieuwe cao zou sluiten is het gevolg daarvan dat beide ondernemingen juridisch gebonden raken aan de VVVF-cao. Bij de onderhandelingen over de nieuwe cao was de VVVF delegatie niet bekend met deze onbedoelde gevolgen van de werkingsfeer. Om te voorkomen juridisch gedwongen te worden de VVVF-cao toe te passen, overwegen PPG en AkzoNobel het lidmaatschap van de VVVF op te zeggen, tenzij de werkingsfeer van de VVVF-cao voor eens en altijd wordt aangepast. De VVVF vindt het onacceptabel dat twee grote leden zich in de huidige situatie gedwongen voelen het lidmaatschap van de vereniging op te zeggen om niet automatisch onder de werkingssfeer van de VVVF-cao te vallen, waardoor de continuïteit van de vereniging in gevaar komt. De VVVF kan daarom niet eerder een cao-akkoord met haar sociale partners sluiten, dan nadat de desbetreffende leden expliciet en op een duurzame manier worden uitgezonderd van de werkingsfeer van de VVVF-cao, zoals het altijd de bedoeling is geweest. Bron: VVVF 12-11-2014

  • Tweede Kamer stemt in met Belastingplan


    De Tweede Kamer heeft op 13 november zoals verwacht ingestemd met het Belastingplan 2015. Wel zijn bij de behandeling enkele amendementen aangenomen. We noemen hier de meest relevante.

    Gebruikelijkloonregeling De Tweede Kamer heeft ingestemd met een amendement van het Kamerlid Neppérus (VVD) dat beoogd de bewijslastverdeling ten aanzien van de gebruikelijkloonregeling meer in balans te brengen. Het amendement bestaat uit twee onderdelen. Het eerste onderdeel draait de voorgestelde uitbreiding van de kring van lichamen voor de toets van het hoogste loon van de overige werknemers die in dienst zijn van de inhoudingsplichtige of met de inhoudingsplichtige verbonden lichamen, terug. Daarnaast scherpt het amendement de bewijslast voor de inspecteur aan, indien hij aannemelijk wil maken dat 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking hoger is dan het loon dat de inhoudingsplichtige in aanmerking heeft genomen. De inspecteur moet in dat geval ten minste de objectieve criteria overleggen op basis waarvan hij heeft vastgesteld wat de meest vergelijkbare dienstbetrekking is. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan het vermelden van de branche, de grootte van het bedrijf uitgedrukt in bijvoorbeeld werknemers of omzet, het werkpakket en de verantwoordelijkheden. Een ander amendement van het Kamerlid Omtzigt (CDA) om 'meest vergelijkbare' dienstbetrekking (voorstel Belastingplan) weer te vervangen door 'soortgelijke' dienstbetrekking (huidige formulering) haalde het niet. Volgens Omtzigt zorgt de uitbreiding van de dienstbetrekking waarmee men het loon van de dga vergelijkt van 'soortgelijke' naar 'meest vergelijkbare' voor een aanzienlijke bewijslastverzwaring voor dga's. Werkkostenregeling Over de werkkostenregeling was vooraf (in de media) vooral veel gesteggel over onder meer de fiets, maar amendementen daarover (gerichte vrijstelling) haalden het niet. Wel werd een amendement van het Kamerlid Dijkgraaf (SGP) aangenomen dat de concernregeling uitbreidt naar stichtingen. De betreffende stichtingen moeten dan gedurende het gehele kalenderjaar in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanig met elkaar zijn verweven dat zij een eenheid vormen. Bij ministeriële regeling moeten voor de toepassing nadere regels worden gesteld. Volgens Dijkgraaf kan men hierbij denken aan de bindende voordracht van de benoeming van nieuwe bestuursleden en het recht op het vermogen bij vereffening bij faillissement of opheffing van een stichting opererend in concernverband. Bron: Tweede Kamer 13-11-2014

  • Vennootschap komt verplichtingen niet na, onrechtmatige daad bestuurder


    Onder omstandigheden kan de bestuurder van een vennootschap jegens een schuldeiser van de vennootschap op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk zijn, indien hij feitelijk verhindert dat de vennootschap zijn verplichtingen jegens de crediteur nakomt. Hiertoe moet de bestuurder een ernstig persoonlijk verwijt treffen, hetgeen slechts onder bijzondere omstandigheden kan worden aangenomen.

    Een incassobureau voert voor een klant een vordering uit. Het incassobureau heeft daarbij namens de klant een procedure tegen de debiteur aanhangig gemaakt en gevoerd, waarbij de debiteur van de klant is veroordeeld tot betaling van € 6.582,34, te vermeerderen met rente en kosten. De ontvangen gelden worden echter niet doorgeleid naar de klant. Deze spreekt nu de (oud-)bestuurder van het incassobureau aan en stelt dat het incassobureau ten tijde van het laakbaar handelen door hem werd gedreven en dat hij als bestuurder persoonlijk aansprakelijk is ex art. 6:162 BW. De kantonrechter stelt vast dat het incassobureau uit hoofde van de overeenkomst enkele geldbedragen heeft geïnd en dat geld (met uitzondering van een bedrag van € 2.075,83) niet heeft doorgeleid naar de klant. De bestuurder had ten tijde van het aangaan en uitvoeren van de opdracht een leidende rol bij het incassobureau. De klant stelt dat de debiteur aan het veroordelende vonnis heeft voldaan en dat het incassobureau/de bestuurder dat geld bewust 'in een zwart gat' heeft laten verdwijnen, wat de bestuurder valt te verwijten nu hij geen kwaliteitsrekening heeft aangehouden. De bestuurder beaamt dat hij inderdaad geen kwaliteitsrekening heeft aangehouden. Betalingen van derden werden ontvangen op een 'gewone' betaalrekening. De bestuurder van het incassobureau heeft inmiddels zijn bedrijf verkocht, en ook de administratie die hij onder zich had heeft hij overgedragen aan een koper. Met de koper is het via zijn boekhouder in contact gekomen, en na de verkoop heeft hij niets meer van de koper vernomen. De kantonrechter overweegt dat de persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder niet te snel mag worden aangenomen. Daarvoor zijn bijkomende, bijzondere omstandigheden nodig. Het feit dat geen kwaliteitsrekening is aangehouden kan de bestuurder niet zonder meer worden aangerekend. Door de klant zijn echter in dit verband bijzondere omstandigheden aangevoerd die maken dat hem wel een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De bestuurder had binnen het incassobureau 'alle touwtjes in handen', hij heeft geld geïnd na een geslaagde incasso, dat geld laten uitbetalen op een 'gewone' betaalrekening en in ieder geval een deel van dat geld niet doorgeleid aan de opdrachtgever. Door deze situatie te laten ontstaan en laten voorbestaan, waarbij hij bovendien heeft nagelaten die derden te waarschuwen dat het geen kwaliteitsrekening betrof, heeft hij nalatig gehandeld. Die waarschuwingsplicht geldt des te meer op het moment dat het incassobureau werd overgedragen aan een koper, nu gesteld noch gebleken is dat de bestuurder enig (voor)onderzoek heeft verricht naar de betrouwbaarheid van die koper. Bovendien zijn cliënten niet op de hoogte gesteld van de overgang van de onderneming en zijn op geen enkele wijze maatregelen genomen om de (door-)betaling aan de klant zeker te stellen. Al deze omstandigheden tezamen leiden de kantonrechter tot de slotsom dat de bestuurder een ernstig verwijt treft, op grond waarvan hij persoonlijk aansprakelijk is op grond van art. 6:162 BW; de gevorderde verklaring voor recht ligt voor toewijzing gereed. Bron: Ktr. Rotterdam 5-09-2014

  • Provincie gaat buiten zijn boekje


    Het is niet aan de provincie om met de Belastingdienst in discussie te gaan om een aanslag omlaag te krijgen waardoor zij geen belastingschade hoeft te vergoeden aan een belastingplichtige. Dat is het oordeel van de Nationale Ombudsman.

    Een huiseigenaar komt in 2009 met de provincie Groningen overeen dat hij zijn woning, vanwege de aanleg van een provinciale weg, aan de provincie zal verkopen. In de koopovereenkomst wordt afgesproken dat de eventuele belastingschade van de huiseigenaar zou worden vastgesteld door de belastinginspecteur. De inspecteur had in eerste instantie bepaald dat de belastingschade € 4.637 bedroeg, de door huiseigenaar te betalen aanslagen inkomstenbelasting 2009 en 2010, die hij ontving na de verkoop van zijn huis aan de provincie. De belastingschade was ontstaan in box 3 door het aanhouden van extra banktegoeden, ontstaan na verkoop van de eigenwoning. De provincie was het niet eens met de door de inspecteur vastgestelde belastingschade en verzocht om het bedrag van de belastingschade opnieuw vast te stellen, waarna de inspecteur terugkwam op haar eerdere vaststelling en de belastingschade op nihil stelde. Volgens de provincie wordt de verschuiving van inkomen van box 1 naar box 3 bij onteigening niet als schade aangemerkt. Dit blijkt uit jurisprudentie en een besluit van de staatssecretaris. De huiseigenaar klaagt bij de Nationale Ombudsman dat de provincie Groningen niet de belastingschade vergoedt, die hij leed na de verkoop van zijn huis aan de provincie. Volgens de Nationale Ombudsman mocht de provincie als contractspartij haar visie hebben over de eerste beslissing van de inspecteur, maar had het de huiseigenaar moeten betrekken bij haar verzoek richting inspecteur. De provincie en huiseigenaar hadden dan gezamenlijk de inspecteur kunnen vragen om de situatie te bezien in het licht van de omschrijving van het begrip belastingschade in de koopovereenkomst. Door zich eenzijdig tot de belastinginspecteur te wenden zonder de huiseigenaar daarbij te betrekken heeft de provincie de huiseigenaar niet in staat gesteld zijn procedurele kansen te benutten. Daarmee heeft de provincie niet behoorlijk gehandeld. Bron: Nationale Ombudsman 29-10-2014

  • Pas de pensioenregeling op tijd aan


    De Belastingdienst maakt ondernemers er op haar site op attent dat de pensioenregeling van hun werknemers mogelijk nog voor 1 januari 2015 moet worden aangepast. In 2014 is de maximale pensioenopbouw (fiscaal) beperkt in verband met de verhoging van de AOW-leeftijd en de pensioenleeftijd (richtleeftijd). Per 1 januari 2015 komt daar een aantal maatregelen bij.

    Per 1 januari 2015 wordt de ruimte voor pensioenopbouw verder beperkt. Werknemers moeten in 40 jaar een ouderdomspensioen kunnen opbouwen van maximaal 75% van hun gemiddelde loon. Het jaarlijkse opbouwpercentage gaat voor middelloonregelingen omlaag van 2,15% (2014) naar 1,875% (2015) en voor eindloonregelingen van 1,9% (2014) naar 1,657% (2015). De opbouwpercentages voor partner- en wezenpensioen worden evenredig verlaagd. Ook wordt de maximale hoogte van het pensioengevend loon beperkt. Het pensioengevend loon wordt vanaf 1 januari 2015 begrensd op maximaal € 100.000. Werknemers met een hoger loon dan € 100.000 kunnen over dat hogere loon alleen een zogenoemd nettopensioen of nettolijfrente opbouwen. Omdat de premies uit het netto-inkomen worden betaald, zijn de bijbehorende uitkeringen vrijgesteld van inkomstenbelasting. Ook hoort de waarde van de nettolijfrente of het nettopensioen niet tot het belaste vermogen in box 3. De grens van € 100.000 geldt niet voor arbeidsongeschiktheidspensioen. Vanwege deze wijzigingen moeten werkgevers vóór 1 januari 2015 de pensioenregeling van hun werknemers hebben aangepast. Voor 1 januari 2015 kan men een aangepaste pensioenregeling aan de Belastingdienst voorleggen. In dat geval kan de regeling in overleg met de Belastingdienst in de loop van 2015, maar wel met terugwerkende kracht tot 1 januari 2015, worden aangepast. Bron: Belastingdienst, 12-11-2014

  • Zesmaandsfictie leidt niet automatisch tot boete


    Een werkgever die werknemers niet in zijn loonadministratie opneemt en zwart laat werken, loopt het risico dat verondersteld wordt dat de betreffende werknemers in de zes maanden voorafgaand aan het constateren van de overtreding bij hem in dienst waren. Toepassing van deze fictie leidt echter niet automatisch tot een vergrijpboete.

    Een VOF exploiteert een autopoetsbedrijf. Op 2 februari 2010 kreeg de onderneming bezoek van de Belastingdienst en Arbeidsinspectie. De controleurs troffen drie personen aan die bezig waren met het reinigen van auto's. Nadat de controleurs hadden aangegeven waarvoor zij kwamen, renden alle drie de personen weg. Naar aanleiding van de bevindingen tijdens het bedrijfsbezoek heeft de Inspecteur met toepassing van de zesmaandsfictie uit de Wet op de Loonbelasting 1964 naheffingsaanslagen loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd over de zes maanden voorafgaand aan het bedrijfsbezoek. Gelijktijdig met de naheffingsaanslagen heeft de Inspecteur vergrijpboeten opgelegd. Hof Den Haag heeft met betrekking tot de naheffingsaanslagen geoordeeld dat de drie personen op 2 februari 2010 bij de VOF in dienstbetrekking waren en niet in haar loonadministratie waren opgenomen. Het hof is er in dat kader met toepassing van de zesmaandsfictie van uitgegaan dat de drie personen ook in de zes maanden voorafgaande aan 2 februari 2010 bij de VOF in dienstbetrekking waren en dat hun loon in die periode niet lager was dan op 2 februari 2010. De VOF heeft naar het oordeel van het hof het tegendeel niet doen blijken. Dit feitelijke oordeel van het hof is niet voor cassatie vatbaar.v Ten aanzien van de boeten oordeelt de Hoge Raad echter anders. Het hof heeft de boeten in stand gelaten omdat de VOF, naar het oordeel van het Hof, wist dat bij de drie personen sprake was van een dienstbetrekking, maar dat zij willens en wetens geen loonbelasting heeft ingehouden over het door hen genoten loon en geen aangifte loonbelasting heeft gedaan en aldus de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit nalaten zou leiden tot het te weinig afdragen van loonbelasting terwijl die wel verschuldigd was. De Hoge Raad geeft aan dat het gegeven dat de zesmaandsfictie van toepassing is, nog niet maakt dat ten aanzien van de met de naheffing op grond van de fictie samenhangende vergrijpboete met voldoende mate van zekerheid vaststaat dat de inhoudingsplichtige (i) aan de betrokken werknemer(s) ook gedurende de voorafgaande zes maanden loon verschuldigd was, (ii) de daarover verschuldigde loonheffing niet heeft voldaan op aangiften over de desbetreffende aangiftetijdvakken, en (iii) ter zake van al die ontoereikende betalingen opzet (of grove schuld) valt te verwijten. De zesmaandsfictie heeft dan ook niet tot gevolg dat zonder nadere bewijsvoering door de inspecteur kan worden aangenomen dat de inhoudingsplichtige het beboetbare feit heeft begaan in alle aangiftetijdvakken gelegen in die zes maanden. Weliswaar staat de mogelijkheid open dat bij het bewijs van een beboetbaar feit binnen redelijke grenzen gebruik wordt gemaakt van (wettelijke) vermoedens, maar uit de enkele vaststelling dat een persoon bij de inhoudingsplichtige in dienstbetrekking is en niet in de loonadministratie is opgenomen, vloeit geen vermoeden voort op grond waarvan bij gebreke van (overtuigend) tegenbewijs redelijkerwijs mag worden aangenomen dat die situatie al ten minste zes maanden bestaat. Hetzelfde geldt indien wordt vastgesteld dat een persoon in dienstbetrekking is bij de inhoudingsplichtige en niet voldaan is aan de verplichting een eerstedagsmelding te doen. Het hof heeft verder niets vastgesteld met betrekking tot de vraag of de drie personen ook vóór 2 februari 2010 al in dienstbetrekking waren bij de VOF; evenmin heeft het feiten vastgesteld waaruit kan worden afgeleid dat de VOF met betrekking tot loon dat is genoten vóór 2 februari 2010 opzettelijk de betaling van verschuldigde loonheffing achterwege heeft gelaten. De boete kan derhalve niet in stand blijven en de Hoge Raad verwijst de zaak naar Hof Amsterdam waar moet worden onderzocht of vóór 2 februari 2010 voldoende bewijs voorhanden is dat sprake is van beboetbare feiten. Bron: HR 7-11-2014

 

over ons

wij
begrijpen cijfers,
al ruim 25 jaar

Administratiekantoor Van Helden wil mensen helpen, door hen financieel inzicht en overzicht te bieden. Dat doen we door praktische overzichten te maken en door het administratieve proces zo efficiënt mogelijk in te richten. Maar ook door onze klanten persoonlijk te benaderen.
Onze producten en diensten sluiten daarop aan. Ons fonds steunt goede doelen en projecten die Utrecht een warm hart toedragen, zowel op sociaal als maatschappelijk gebied.

Onze visie
Van Helden bestaat al meer dan 25 jaar; een begrip in Utrecht en omgeving. Oprichter meneer Van Helden nam de tijd voor zijn klanten, zodat ze op maat advies kregen en inzicht en overzicht in hun eigen financiën. Dat is nog steeds de basis van ons bedrijf.

Wij zijn ‘de nieuwe helden’ van uw financiën. Wij hebben de overtuiging dat administratieve processen steeds makkelijker kunnen. Dat u gedeelten ook prima digitaal kunt aanleveren en daardoor ook steeds meer zelf inzicht krijgt in het proces en overzicht van uw financiën. Dat helpt u en uw bedrijf om betere strategische beslissingen te nemen.

We luisteren naar u, we denken met u mee en we zijn via diverse kanalen bereikbaar.

  • Menno den Oude


    Directeur Van Helden BV
    Voorzitter Van Helden fonds

    STUUR E-MAIL >

    “ Het administratieproces is maar een proces. Dat moet zo makkelijk en efficiënt mogelijk. Cijfers in een overzicht gaan pas echt leven. Dan zie je ondernemers opbloeien als ik het gesprek met ze aanga. Daar doe ik het voor.”
  • Jan Willem Brouwer


    Belastingadviseur
    gespecialiseerd in het kleinbedrijf
    (van ZZP-ers tot en met BV’s met holdingstructuren)

    STUUR E-MAIL >

    “Als ervaren adviseur help ik met veel plezier ondernemers en oud-ondernemers met hun jaarcijfers en belastingzaken. Diverse bedrijven heb ik in de loop der tijd zien opbloeien. Ik streef ernaar de klant hierbij bedrijfsmatig en fiscaal te begeleiden zonder de indruk te wekken op de ondernemersstoel plaats te nemen. Uiteindelijk blijft het een advies.”
  • Luc Limburg


    Administratieconsulent
    voornamelijk werkzaam bij cliënten op locatie om aldaar boekhoudingen te verzorgen

    STUUR E-MAIL >

    “Graag werk ik op locatie bij klanten omdat ik het liefst dicht bij de klant sta om zo goed mogelijk invulling te geven aan de opdracht. Ik werk vooral voor fondsenwervende instellingen en vermogensfondsen.”
  • Ilona Pieneman


    Secretarieel en administratief medewerker

    “Ik ben ooit als stagiaire begonnen en het beviel me hier zo, dat ik nooit meer ben weggegaan. Ik ga graag mee met de huidige ict-vernieuwingen. Zo heb ik een online dossier voor diverse relaties ingericht, zodat ze altijd hun laatste loonstrookjes en loonaangiften kunnen downloaden.”
 

diensten

wat wij voor u kunnen betekenen

We gaan ervoor om uw boekhouding, loonadministratie, jaarcijfers, fiscale aangiften deskundig en zo efficiënt mogelijk voor u te verzorgen tegen een aantrekkelijke prijs. Ondernemen is al duur genoeg.
Doet u een deel van uw boekhouding zelf? Dan helpen we u graag met onderdelen, zoals de jaarrekening en coachen we u als u tegen problemen aanloopt of vragen hebt.

boekhouding

jaarcijfers

salaris- administratie

aangiften

fiscaal advies

boekhouding;


We werken met Exact Online. U dient uw nota’s makkelijk digitaal in en ze worden automatisch verwerkt in een handig overzicht: de balans en de winst- en verliesrekening. Op elk moment heeft u online inzage in uw boekhouding. Heeft u daarover vragen? Dan nemen wij graag de cijfers met u door.

jaarcijfers;


Als u door ons de complete boekhouding laat verzorgen, dan stellen wij ook de jaarstukken op. Deze jaarstukken zijn weer de basis voor de belastingaangifte die we voor u doen en we leveren de stukken ook aan bij de Kamer van Koophandel. Hierbij zetten wij de automatisering optimaal in om zo efficiënt mogelijk te werken.

Doet u de administratie zelf? Dan vatten wij uw boekhouding samen, we rubriceren en analyseren de cijfers en verzorgen een overzichtelijke rapportage voor u.

salarisadministratie;


We voorzien uw personeel tijdig van loonstroken, we rekenen u de gevolgen van nieuw personeel voor, zodat u de werkgeverslasten en de loonbelastingaangiften kunt inschatten.
Dit proces gaat grotendeels digitaal via uw persoonlijke, digitale omgeving.

aangiften;


Van Helden doet de aangiften voor de omzetbelasting meestal per kwartaal, de aangifte loonbelasting maandelijks en de inkomstenbelasting jaarlijks. Voor een BV doen we jaarlijks de aangifte voor de vennootschapsbelasting.
Ons uitgangspunt is, dat belasting betalen nodig is om gemeenschappelijk kosten te delen, maar dan willen we wel graag dat dat op een eerlijke manier gebeurt en verdeeld wordt.
Wij zullen de fiscale ruimte die er is, dan ook benutten en zo nodig met de belastingdienst de discussie aangaan als er onterecht wordt afgeweken van onze aangifte.

fiscaal advies;


Ondernemers kunnen bij ons ook terecht voor fiscaal advies, daarvoor is het niet nodig dat wij ook uw boekhouding of jaarstukken verzorgen. Wij zien het als onze taak om u zo goed mogelijk te adviseren als we bij uw boekhouding fiscale aspecten tegenkomen.

Mocht u fiscale vragen hebben, dan beantwoorden we die graag. Binnenkort kunt u kiezen uit verschillende abonnementsvormen wat betreft fiscaal advies en fiscale begeleiding.

 

van helden fonds

Van Helden fonds: wat wij teruggeven

 

vraag & antwoord

wat is uw vraag?

1

hoe gaat Van Helden in de praktijk te werk?

We maken met u een afspraak bij ons op kantoor of bij u. We hechten eraan dat er een klik is tussen adviseur en klant. Zijn we het eens over het werk en de kosten? Dan maken we vervolgafspraken over oa. de frequentie van rapportages en deadlines van de belastingen.

2

waar kan ik inloggen om mijn cijfers in te voeren?

Dat kan hier: Exact Online

Let op:
U bent altijd zelf verantwoordelijk voor de belastingaangifte. Ook als deze door uw boekhouder is verzorgd en daarin fouten zijn gemaakt.

3

wie is er aansprakelijk voor de aangifte?

Het is onze taak de aangifte deskundig en zorgvuldig te behandelen.
De klant blijft altijd inhoudelijk verantwoordelijk voor zijn of haar belastingaangifte.

4

wat kan ik zelf aan de administratie doen?

U kunt uw hele administratie zelf doen in een eigen boekhoudpakket en ook gebruik maken van Exact Online. Daar kunt u ook facturen aanmaken die direct in de boekhouding worden gezet. Dat bespaart u invoerkosten.

5

met welke boekhoud- pakketten werken jullie?

We werken met King en Exact Online. Daar werken we al heel lang mee. Dit is een degelijk pakket waarop de boekhouding op professionele wijze kan worden gevoerd. Het werkt snel, geeft goed overzicht en financieel inzicht.

6

werkt Van Helden ook samen met derden?

Ons kantoor werkt samen met kleine en grote accountantsbureaus waar het gaat om accountantsverklaringen of complexere fiscale vraagstukken.

7

wat kost het om jullie in te huren?

* Kleine administratie inclusief aangifte btw: vanaf € 50 pm
* Loonadministratie: vanaf € 20 pm
* Jaarrekening of jaarstukken belastingdienst: vanaf € 500 pj
* Belastingaangifte ondernemer: vanaf € 175

8

zijn er minder kosten bij meer diensten?

Bij een combinatie van onze diensten kunnen we efficiënter werken, zodat onze totaalprijs vanaf € 100 per maand kan worden aangeboden.
Dat hangt vooral af van de hoeveelheid en aard van de mutaties in de boekhouding.

9

wanneer moeten mijn aangiften zijn ingediend?

De maand na elk kwartaal moet de aangifte omzetbelasting zijn ingediend en betaald, uiterlijk voor 1 april. Aangiften vennootschapsbelasting uiterlijk voor 1 juni het jaar erop. Als belastingconsulent hebben we de mogelijkheid om gespreid de aangiftes in te dienen.

10

..of
stel
zelf een
vraag

 
 

contact

u vindt ons in utrecht

 

Van Helden B.V.
Othellodreef 45
3561 GS Utrecht

030 262 56 90
info@vanheldenbv.nl

volg ons:

contactformulier

nieuwsbrief ontvangen?

download algemene voorwaarden © van Helden b.v. 2014