nieuws

  • Verrekenbaar ab-verlies


    Volgens Rechtbank Zeeland-West-Brabant is het mogelijk om een verlies uit aanmerkelijk belang te verrekenen zonder dat dit verlies bij beschikking is vastgesteld.

    Een vrouw heeft in juni 2003 haar ab-aandelen met verlies verkocht. Dit verlies is niet aangegeven in de aangifte IB 2003 van de vrouw of haar echtgenoot. Het verlies is daardoor niet bij beschikking vastgesteld. De echtgenoot bezit in 2011 een aanmerkelijk belang in een andere bv. Deze bv heeft in 2011 aan de echtgenoot dividend uitgekeerd. In de aangifte IB 2011 hebben de echtgenoten de dividenduitkering toegerekend aan de vrouw die daarmee het verlies uit 2003 heeft verrekend. Vraag is of die verrekening kan plaatsvinden zonder dat voor het verlies een vaststellingsbeschikking is afgegeven. Volgens de rechtbank is de regeling voor verrekening van verliezen uit aanmerkelijk belang uit de Wet IB 2001 ontleend aan de Wet IB 1964. Volgens het eerste lid van http://wetten.overheid.nl/BWBR0011353/Hoofdstuk4/Afdeling410/Artikel450/... 4.49 Wet IB 2001 kan het verlies uit aanmerkelijk belang worden verrekend met inkomens uit aanmerkelijk belang van het voorgaande kalenderjaar en de negen volgende kalenderjaren. Uit artikel 4.50 Wet IB 2001 blijkt dat de inspecteur het bedrag van het verlies uit aanmerkelijk belang vaststelt bij voor een bezwaar vatbare beschikking. Volgens de rechtbank blijkt echter noch uit de wettekst noch uit de wetsgeschiedenis van de regeling inzake de verliesverrekening dat een verliesvaststellingsbeschikking een constitutief vereiste is voor het verrekenen van niet-ondernemingsverliezen in de IB met positieve inkomens van latere jaren. Daarmee is het gelijk aan de belastingplichtige en kan het verlies verrekend worden. Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 18-12-2014

  • Wel lagere pensioenopbouw, geen lagere premies


    Slechts bij een kwart van de grotere pensioenfondsen die de pensioenopbouw moesten verlagen vanwege de aanpassing van de fiscale regels, heeft dit ook geleid tot een vermindering van de premies. Dit blijkt uit een onderzoek van het Financieele Dagblad.

    Volgens de onderzoekers betekent dit dat bijna 1 miljoen werknemers de versobering van hun pensioen niet uitbetaald heeft gekregen in de vorm van hoger loon. De onderzoekers hielden de opbouw en premies van de vijftig grootste sectorpensioenfondsen tegen het licht. Omdat van veel ondernemingspensioenfondsen de premies nog niet bekend waren zijn die buiten het onderzoek gelaten. Van de 31 sectorpensioenfondsen die door de aanpassing van de fiscale regels de opbouw moesten verlagen, hebben er slechts acht ook de premies verlaagd. Bij 18 fondsen constateerden de onderzoekers dat de premie ten opzichte van vorig jaar gelijk bleef en bij vijf fondsen was er zelfs sprake van een premieverhoging. Achttien fondsen hielden de premie gelijk ten opzichte van 2014 en vijf fondsen verhoogden de premie zelfs. Volgens de betrokken pensioenfondsen kon de premie niet omlaag vanwege of de rente of cao-afspraken. In een aantal gevallen is de extra ruimte die hierdoor ontstond gebruikt om de pensioenregeling elders te verbeteren. Bron: FD 27-01-2015

  • Geen bezwaar en beroep tegen een correctiemededeling


    Ontvangt een ondernemer een correctiemededeling, dan staat daar geen bezwaar en beroep tegen open. Volgens Rechtbank Den Haag is dit niet in strijd met Europese verdragen en grondrechten.

    Een IB-onderneemster ontvangt een correctiemededeling waarin is aangegeven dat zij een aantal aangiftes moet corrigeren. De onderneemster maakt hiertegen bezwaar, maar dit bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard, omdat de nationale wet geen bezwaar en beroep tegen de mededeling zou openstellen. Volgens de onderneemster is dit in strijd is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (het Handvest), het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (IVBPR) en de algemene rechtsbeginselen en ze maakt de zaak aanhangig bij Rechtbank Den Haag De rechtbank bevestigt dat tegen de mededeling geen bezwaar en beroep bij de bestuursrechter openstaat. Dat dit niet mogelijk is, is volgens de Rechtbank niet in strijd met de genoemde verdragen. Geschillen over (de heffing van) belastingen vallen buiten het bereik van het EVRM en IVBPR. Een zogenoemde 'criminal charge' ten aanzien van de onderneemster zou wel toegang bieden, maar daar is (nog) geen sprake van. Ook indien moet worden aangenomen dat het hier (nog) niet om een geschil over de heffing van belastingen gaat, maar om het vaststellen van de burgerlijke verplichtingen van de onderneemster als bedoeld in het EVRM en IVBPR dan is het niet in behandeling nemen van de klacht met betrekking tot de correctiemededeling door de bestuursrechter niet in strijd met de voornoemde verdragen. De onderneemster heeft - nu beroep bij de bestuursrechter niet openstaat - de mogelijkheid om de rechtmatigheid van de aan haar opgelegde verplichting aan de burgerlijke rechter voor te leggen. Het Handvest is niet van toepassing, aangezien er in het onderhavige geval geen sprake is van het ten uitvoer brengen van het recht van de Unie. Naar het oordeel van de rechtbank is de onmogelijkheid om tegen de correctiemededeling in bezwaar en in beroep te gaan ten slotte niet in strijd met enig ander algemeen rechtsbeginsel. Wordt een correctieverplichting opgevolgd dan wordt de heffing op aangifte afgedragen (ingeval van een correctiebericht bij de aangifte vanwege een correctie binnen het jaar) of een naheffingsaanslag opgelegd (na een los correctiebericht vanwege een correctie over de jaargrens). Tegen de eigen afdracht dan wel de naheffingsaanslag staat bezwaar en beroep bij de bestuursrechter open. Dat is niet anders dan vóór het systeem van correctieberichten. Werkgevers die de correctiemededeling op zichzelf ter discussie willen stellen, kunnen bij de burgerlijke rechter terecht voor een oordeel over de rechtmatigheid van de mededeling. Maar het is de vraag of inhoudingsplichtigen daarmee bereiken wat ze willen. Bron: Rb. Den Haag 25-09-2014 (publ. 18-12-2014)

  • Certificering vervangt geen toezicht


    Certificatie kan het toezicht dat inspectiediensten op bedrijven houden, niet vervangen. Dit schrijft minister Kamp van Economische Zaken in een brief aan de Tweede Kamer. Hij reageert hiermee op een 'signaal' van enkele inspectiediensten.

    De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en de Inspectie SZW (ISZW) hadden in een brief aangegeven dat certificatie het toezicht effectiever en efficiënter kan maken, maar het toezicht op het naleven van wet- en regelgeving door bedrijven niet kan vervangen. De inspectiediensten maakten in hun signaal gewag van risico's als gevolg van certificatie. Het hebben van een certificaat garandeert niet dan men aan de geldende wet- en regelgeving voldoet. Soms komt dat doordat de controles in het kader van de certificering niet altijd van voldoende kwaliteit is, soms omdat certificeringinstellingen terughoudend zijn met het nemen van maatregelen als niet aan de eisen wordt voldaan. En ook voorkomt een certificaat niet fraude en malversaties. In zijn Kamerbrief, mede namens de bewindslieden van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Infrastructuur en Milieu, schrijft Kamp dat hij weinig voelt voor de suggestie om de wet te veranderen om de informatieverstrekking door certificeringinstanties te verbeteren. Hij raadt de diensten aan daarover eerst te gaan overleggen met deze instellingen. In zijn brief kondigt hij aan dat het kabinet werkt aan een herziening van het standpunt over certificatie en accreditatie uit 2003. Door Europese regels is de huidige versie 'niet meer geheel actueel'. Begin 2015 kan de Tweede Kamer de nieuwe versie verwachten. Bron: Min EZ, 14-01-2015

  • Dringende morele verplichting


    Vorig jaar oordeelde de Hoge Raad dat een bijdrage in het levensonderhoud van een stiefouder mogelijk een dringende morele verplichting kan zijn, waardoor recht bestaat op persoonsgebonden aftrek in verband met een lijfrente-uitkering. Hof Den Bosch moest bepalen of op het moment van overlijden van de erflater sprake was van een dergelijke morele verplichting.

    Een vader heeft in zijn testament bedongen dat zijn kinderen, de erfgenamen, maandelijks een lijfrente-uitkering betalen aan zijn vriendin. De kinderen hebben hiertoe een rekening geopend waarvan maandelijks een bedrag wordt overgemaakt. De echtgenoot van de dochter brengt haar deel van de maandelijkse uitkering als persoonlijke verplichting in aftrek in zijn aangifte IB. In de eerste jaren wordt die aftrek geaccepteerd. Vanaf 2007 weigert de inspecteur de aftrek, omdat het geen onderhoudsverplichting vormt op grond van een wettelijke of morele verplichting. De Hoge Raad bepaalt dat in dit geval, waarin de in rechte afdwingbare verplichting tot het doen van een lijfrente-uitkering in het leven wordt geroepen door een testament, bepalend is of de dringende morele verplichting daartoe rustte op de erflater. Vaststaat dat het hier niet gaat om een uit het familierecht voortvloeiende wettelijke verplichting. Hof Den Bosch moet onderzoeken of op het moment van overlijden van de vader sprake is van een dringende morele verplichting. De beoordeling of sprake is van een aftrekbare periodieke uitkering heeft plaatsgevonden naar aanleiding van de aangifte van de echtgenoot van de dochter over het jaar 1997. Volgens het hof kan onder die omstandigheden niet van de dochter worden gevergd dat zij thans na zoveel jaar nog bewijs levert dat de maatschappelijke positie en vooruitzichten van de vriendin van vader destijds zodanig waren dat vader zich niet gedrongen kon voelen tot het in het leven roepen van de onderhavige lijfrenteverplichting. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de inspecteur aannemelijk moet maken dat de betreffende onderhoudsverplichting met ingang van april van het jaar 2007 niet langer als onderhoudsverplichting kan worden aangemerkt. Het hof vindt dat de inspecteur niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan. De omstandigheid dat de vriendin en vader de officiële instanties niet hebben geïnformeerd over hun samenwoning, doet er niet aan af dat zij gedurende een periode van 6 tot 7 jaren hebben samengewoond. Een dergelijke, gelet op de leeftijd van vader en zijn vriendin, relatief lange periode van samenwoning, kan bij de bepaling van de op het moment van overlijden van vader bestaande maatschappelijke positie en vooruitzichten van de vriendin niet worden veronachtzaamd. Voor de bepaling van die positie en vooruitzichten is niet doorslaggevend dat de vriendin direct na het overlijden van vader (noodzakelijkerwijs) naar haar eigen woning is teruggekeerd, ook moet rekening worden gehouden met het sociale milieu waarin de vriendin tijdens de samenwoning met vader verkeerde en na het overlijden van vader is komen te verkeren. De inspecteur heeft alleen de financiële positie waarin de vriendin vóór en na de samenwoning met vader mogelijk heeft verkeerd aangevoerd (exacte gegevens heeft de inspecteur niet voorhanden). Ten slotte heeft de inspecteur niet weersproken wat de dochter in haar conclusie van 13 december 2013 daarover heeft gesteld, te weten dat de vriendin heeft samengewoond met een vermogend man, met veel 'uitjes en etentjes' en dat van belang is dat zij na de samenwoning kon blijven leven zoals ze min of meer gewend was te doen met vader. De dochter wordt in het gelijk gesteld. De tegen deze uitspraak ingediende klachten bij de Hoge Raad leiden niet tot cassatie. Bron: Hof Den Bosch 03-07-2014; HR 16-01-2015

  • MKB heeft weg naar innovatiebox gevonden


    De meeste bedrijven die gebruik maken van de innovatiebox kunnen gerekend worden tot het MKB, maar het grootste budgettaire beslag door de innovatiebox wordt opgeslokt door het grootbedrijf. Dit blijkt uit een brief van staatssecretaris Wiebes aan de Tweede Kamer. Uit een onderzoek van het CPB blijkt de innovatiebox echter minder effectief te zijn dan fiscale beleidsmaatregelen die zijn gericht op de kosten van R&D.

    Sinds 2010 kent men in de vennootschapsbelasting de innovatiebox. Met dit fiscale instrument hebben innoverende ondernemers de keuze om zelf ontwikkelde immateriële activa toe te delen aan een fiscale boxruimte, waarin onder voorwaarden de netto voordelen belast zijn met een effectief tarief van 5%. In het eerste jaar (2010) maakten 910 ondernemingen gebruik van de innovatiebox. In 2011 liep dit op tot 1.521 en voor 2012 wordt verwacht dat ruim 1.800 bedrijven gebruik zullen maken van de innovatiebox. Het merendeel van die bedrijven bevindt zich in de bedrijfsgrootte van 10 tot 50 werknemers: 33% in 2010 oplopend tot 36% in 2012. Het aandeel van de bedrijven met 50 tot 250 werknemers en met meer dan 250 werknemers bleef over al die jaren constant met respectievelijk 26% en 11%, terwijl het aandeel van ondernemingen met minder dan tien werknemers iets afnam (van 30% naar 27%). Maar als men kijkt naar de omvang van het gebruik, dan wordt het grootste voordeel behaald bij het grootbedrijf: 60% van het budgettaire beslag (cijfers 2012) van de innovatiebox gaat naar ondernemingen met 250 of meer werknemers, tegen 10% in zowel de bedrijfsgrootte 10 tot 50 werknemers en 50 tot 250 werknemers. Overigens blijkt uit een vergelijkende studie onder leiding van het CPB dat fiscale beleidsmaatregelen gericht op de kosten van R&D effectiever zijn dan fiscale maatregelen gericht op de winst die uit innovatieve activiteiten voortvloeit. Samen met drie buitenlandse instituten (CASE, ETLA en IHS) heeft het CPB voor de Europese Commissie een vergelijkende studie uitgevoerd naar tachtig verschillende fiscale beleidsinstrumenten die in 33 landen worden gebruikt. Van de Nederlandse belastingmaatregelen staat de WBSO in de top vijf van best vormgegeven instrumenten. De RDA, een verlaging van de winstbelasting gerelateerd aan R&D investeringen, staat op plek dertien. De innovatiebox scoort minder goed (plek 44). De conclusie is dat regelingen die zich richten op de kostenkant van R&D (zoals de WBSO en RDA) efficiënter zijn dan regelingen die een belastingvoordeel opleveren voor de winst die voortkomt uit innovatie (zoals de innovatiebox). Bron: MvF 13-01-2015; CPB 15-01-2015

  • Kantonrechtersformule meer dan alleen ABC-formule


    Een werknemer meent op grond van een sociaal plan recht te hebben op een hogere ontslagvergoeding dan toegekend door de werkgever. Het sociaal plan verwijst naar de kantonrechtersformule en al rekenent komt de werknemer op een hoger bedrag. De kantonrechter oordeelt echter dat de kantonrechtersformule meer omvat dan de bekende ABC-formule, maar ook meerdere aanbevelingen en richtlijnen omvat die gelden voor bijzondere omstandigheden.

    Bij een reorganisatie wordt een oudere werknemer van AVR (sinds 1974 in dienst) ontslagen. Een ontslagvergunning wordt bij UWV Werkbedrijf aangevraagd en de arbeidsovereenkomst wordt na verkregen toestemming bij brief van 26 september 2012 met inachtneming van de geldende opzegtermijn opgezegd per 1 januari 2013 opgezegd. Van 1 oktober tot 1 januari 2013 is de werknemer vrijgesteld van werkzaamheden met behoud van salaris. Op de reorganisatie is het Sociaal Statuut van toepassing. In dit sociaal plan is opgenomen dat bij gedwongen beëindiging van het dienstverband voor de berekening van de beëindigingsvergoeding de kantonrechtersformule wordt gehanteerd, waarbij C wordt gesteld op factor 1. Het Sociaal Statuut kent geen hardheidsclausule. De werkgever kent hem een beëindigingsvergoeding toe van € 229.723,08 bruto. Dit bedrag komt overeen met de inkomstenderving tot aan de pensioengerechtigde leeftijd. De werknemer is het hier niet mee eens. Hij meent op basis van de kantonrechtersformule aanspraak te kunnen maken op een bedrag dat ruim € 30.000 hoger is. Ter onderbouwing stelt hij dat AVR het Sociaal Statuut niet correct heeft toegepast. Uitgangspunt van het Sociaal Statuut is immers dat de beëindigingsvergoeding wordt berekend op basis van de kantonrechtersformule. In het Sociaal Statuut is geen restrictie opgenomen ter zake de uitkering van een beëindigingsvergoeding voor werknemers met een naderende pensioenleeftijd. De werknemer wijst erop dat dit in een later sociaal plan wel expliciet is opgenomen. De werkgever beroept zich echter op aanbeveling 3.5 van de aanbevelingen van de Kring van Kantonrechters. Toewijzing van de vordering zou volgens de werkgever betekenen dat de werknemer in een financieel betere positie geraakt dan wanneer hij zou hebben doorgewerkt. De kantonrechter overweegt dat de kantonrechtersformule, waarin het Sociaal Statuut naar wordt verwezen, meer omvat dan de bekend ABC-formule, maar ook meerdere aanbevelingen en richtlijnen die gelden voor bijzondere omstandigheden, waaronder de situatie, zoals in dit geval, van een werknemer in het zicht van de pensioendatum. In de hierop gebaseerde Aanbeveling 3.5 wordt de ontslagvergoeding die volgt uit de formule gemaximeerd op de inkomensderving tot aan de redelijkerwijs te verwachten pensioneringsdatum van de werknemer. Volgens de kantonrechter heeft de werknemer niet deugdelijk onderbouwd waarom voor hem hier een uitzondering zou gelden. De omstandigheid dat - zoals de werknemer heeft benadrukt - AVR in het nieuwe Sociaal Plan waaraan vanaf december 2012 gewerkt is, wel expliciet de aftopping geregeld heeft, kan de werknemer naar het oordeel van de kantonrechter evenmin baten. Kennelijk heeft AVR in het onderhavige dispuut aanleiding gevonden om een en ander expliciet in het nieuwe Sociaal Plan te regelen om gelijksoortige geschillen in de toekomst te voorkomen. Bron: Rb. Rotterdam 5-09-2015 (publ. 19-01-2015)

  • Transitievergoeding leidt niet tot onoverkomelijke problemen


    In antwoord op Kamervragen over de transitievergoeding geeft minister Asscher aan dat hij geen onoverkomelijke problemen verwacht voor werkgevers. Vorig jaar had werkgeversvereniging AWVN gemeld dat de regeling voor de transitievergoeding onredelijk zou uitwerken voor werkgevers die veel met seizoensarbeid werken.

    Per 1 juli 2015 moet een werkgever een transitievergoeding betalen aan de werknemer bij beëindiging van een arbeidsovereenkomst van ten minste twee jaar. Omdat bij de transitievergoeding ook voor het verleden geldt dat een keten van arbeidsovereenkomsten pas wordt doorbroken bij een tussenpoos van minimaal zes maanden, zou dit volgens AWNV nadelig uitpakken bij seizoenswerk. Het zou dan kunnen voorkomen dat een werkgever bij het einde van het seizoenswerk een transitievergoeding moeten betalen, waarbij voorgaande perioden van seizoenswerk meetellen indien de onderbreking telkens minder dan zes maanden is geweest. Naar aanleiding hiervan heeft het Kamerlid Mulder (VVD) vragen gesteld aan minister Asscher. Zij wil van de minister weten waarom bij de berekening van de transitievergoeding voor de periode voor 1 juli 2015 ook een onderbrekingsperiode van 6 maanden wordt gehanteerd in plaats van 3 maanden (die tot 1 juli 2015 geldt)? In zijn beantwoording geeft minister Asscher aan dat de regeling van de transitievergoeding onmiddellijke werking heeft (geen terugwerkende kracht). Zij geldt in beginsel voor iedere werknemer die op of na 1 juli 2015 wordt ontslagen, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen vaste en flexibele werknemers. Voor de transitievergoeding telt ook de periode van voor 1 juli 2015 mee. Arbeidsovereenkomsten die elkaar met een tussenpoos van 6 maanden of minder opvolgen, worden voor het bepalen van het recht op een transitievergoeding (en de omvang hiervan) samengeteld. Voor de periode tot 1 juli 2015 is er niet voor gekozen deze zogenoemde onderbrekingsperiode te stellen op 3 maanden, omdat het hier gaat om een nieuwe regeling. De veronderstelling dat tot 1 juli 2015 een onderbrekingsperiode van 3 maanden geldt is dus onjuist. Die onderbrekingsperiode geldt wel voor de ketenregeling. Volgens het overgangsrecht wordt daarbij voor de periode voor 1 juli uitgegaan van een onderbrekingsperiode van 3 maanden. De transitievergoeding is echter een nieuwe regeling waarvoor geen vergelijkbaar overgangsrecht geldt. Zou wel voor 1 juli een onderbrekingsperiode van 3 maanden worden gehanteerd dan zou dit leiden tot een onderscheid tussen vaste en tijdelijke werknemers. Dat zou tegengesteld zijn aan het uitgangspunt dat voor het recht op een transitievergoeding geen onderscheid wordt gemaakt tussen tijdelijke en vaste werknemers. Overigens verwacht Asscher niet veel problemen voor werkgevers. Niet altijd zal een transitievergoeding aan de orde zijn en voor kleine werkgevers is voorzien in een overgangsregeling (bij beëindiging van een arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische redenen die het gevolg zijn van een slechte financiële situatie van de werkgever mogen perioden voor 1 mei 2013 buiten beschouwing worden gelaten). Ook is volgens de minister de opbouw van de transitievergoeding (1/3 maandsalaris per dienstjaar) niet zodanig dat werkgevers hierdoor voor onoverkomelijke problemen zullen worden gesteld. Bron: Min SZW 9-01-2015

  • Metaal werkgevers willen meer ruimte voor maatwerk


    De werkgevers in de Metaal & techniek (FWT) willen bij de komende cao-onderhandelingen meer ruimte voor maatwerk. FWT wil een cao met twee componenten: een deel waarover op bedrijfsbureau geen afspraken kunnen worden gemaakt en een deel met bepalingen waarvan door afspraken op bedrijfs- of individueel niveau mag worden afgeweken.

    De werkgevers willen met hun inzet een aanzet geven tot vernieuwing van de cao. Volgens hen zou de cao te veel regelen en te weinig flexibel zijn op om op bedrijfsniveau goed te kunnen functioneren. Het eerste component van de cao bevat dan afspraken waar op bedrijfsniveau niet van mag worden afgeweken. De artikelen in dit gedeelte betreffen standaardbepalingen zoals de werkingssfeer, salarisverhoging en doorbetaling bij ziekte. Voorbeelden van onderdelen die dan in het tweede component komen en waarover op bedrijfsniveau afspraken kunnen worden gemaakt zijn dan zaken als reiskosten en verblijfkosten. Volgens de werkgevers zal door een toename van de interne flexibiliteit er minder behoefte zijn aan externe flexibiliteit. De onderhandelingen voor de nieuwe cao's Metaal & techniek (het betreft vijf afzonderlijke cao's: Metaalbewerkingsbedrijf, Technisch installatiebedrijf, Carrosseriebedrijf, Isolatiebedrijf, Goud & Zilvernijverheid) starten op 21 januari. De huidige cao's hebben nog een looptijd tot en met 28 februari 2015. Bron: Metaalnieuws, 15-01-2015

  • Meldplicht voor werkgevers bij werkzaamheden in Duitsland


    Sinds 1 januari 2015 kent Duitsland een minimumloon. Dit minimumloon, € 8,50 per uur, ligt lager dan het Nederlandse minimumloon, maar toch is het iets waar werkgevers rekening mee moeten houden. Het minimumloon geldt namelijk ook voor buitenlandse ondernemers die werkzaamheden in Duitsland laten verrichten - denk aan transportondernemingen die werknemers door Duitsland laat rijden - en, dat is misschien voor Nederlandse werkgevers wel vervelender, buitenlandse werkgevers hebben een meldplicht.

    Een Nederlandse werkgever die zijn werknemers in Duitsland werkzaamheden laat verrichten moet zijn werknemers in Duitsland registreren en deze registratie in de Duitse taal minimaal twee jaar bewaren. Bij een controle in Duitsland moet men een kopie van de arbeidsovereenkomst, recente loonstroken en een urenverantwoording kunnen overleggen (voor transportondernemingen is toegezegd dat men deze documenten bij de werkgever mag bewaren, mits de werkgever schriftelijk verklaart dat de documenten, vertaald in het Duits, door de douane kunnen worden opgevraagd). Daarnaast zal men van Duitse opdrachtgevers mogelijk een vrijwaringverklaring ter ondertekening voorgelegd krijgen. Door die te ondertekenen geeft men aan minimaal het Duitse minimumloon te betalen. Werkt men zelf met onderaannemers, dan is het raadzaam hen ook een vrijwaringverklaring voor te leggen. Met name in de transportsector is de meldplicht hinderlijk en, in geval van Nederlandse ondernemers, veelal overbodig. Brancheorganisatie TLN heeft daarom stappen ondernomen en wil van de Europese Commissie horen of Duitsland deze wetgeving wel mag toepassen op Nederlandse werknemers. Daarnaast bepleit TLN bij de Duitse overheid een vrijstelling van de meldplicht voor Nederlandse werkgevers. Bron: TLN 12-01-2015

 

over ons

wij
begrijpen cijfers,
al ruim 25 jaar

Administratiekantoor Van Helden wil mensen helpen, door hen financieel inzicht en overzicht te bieden. Dat doen we door praktische overzichten te maken en door het administratieve proces zo efficiënt mogelijk in te richten. Maar ook door onze klanten persoonlijk te benaderen.
Onze producten en diensten sluiten daarop aan. Ons fonds steunt goede doelen en projecten die Utrecht een warm hart toedragen, zowel op sociaal als maatschappelijk gebied.

Onze visie
Van Helden bestaat al meer dan 25 jaar; een begrip in Utrecht en omgeving. Oprichter meneer Van Helden nam de tijd voor zijn klanten, zodat ze op maat advies kregen en inzicht en overzicht in hun eigen financiën. Dat is nog steeds de basis van ons bedrijf.

Wij zijn ‘de nieuwe helden’ van uw financiën. Wij hebben de overtuiging dat administratieve processen steeds makkelijker kunnen. Dat u gedeelten ook prima digitaal kunt aanleveren en daardoor ook steeds meer zelf inzicht krijgt in het proces en overzicht van uw financiën. Dat helpt u en uw bedrijf om betere strategische beslissingen te nemen.

We luisteren naar u, we denken met u mee en we zijn via diverse kanalen bereikbaar.

  • Menno den Oude


    Directeur Van Helden BV
    Voorzitter Van Helden fonds

    STUUR E-MAIL >

    “ Het administratieproces is maar een proces. Dat moet zo makkelijk en efficiënt mogelijk. Cijfers in een overzicht gaan pas echt leven. Dan zie je ondernemers opbloeien als ik het gesprek met ze aanga. Daar doe ik het voor.”
  • Jan Willem Brouwer


    Belastingadviseur
    gespecialiseerd in het kleinbedrijf
    (van ZZP-ers tot en met BV’s met holdingstructuren)

    STUUR E-MAIL >

    “Als ervaren adviseur help ik met veel plezier ondernemers en oud-ondernemers met hun jaarcijfers en belastingzaken. Diverse bedrijven heb ik in de loop der tijd zien opbloeien. Ik streef ernaar de klant hierbij bedrijfsmatig en fiscaal te begeleiden zonder de indruk te wekken op de ondernemersstoel plaats te nemen. Uiteindelijk blijft het een advies.”
  • Luc Limburg


    Administratieconsulent
    voornamelijk werkzaam bij cliënten op locatie om aldaar boekhoudingen te verzorgen

    STUUR E-MAIL >

    “Graag werk ik op locatie bij klanten omdat ik het liefst dicht bij de klant sta om zo goed mogelijk invulling te geven aan de opdracht. Ik werk vooral voor fondsenwervende instellingen en vermogensfondsen.”
  • Ilona Pieneman


    Secretarieel en administratief medewerker

    “Ik ben ooit als stagiaire begonnen en het beviel me hier zo, dat ik nooit meer ben weggegaan. Ik ga graag mee met de huidige ict-vernieuwingen. Zo heb ik een online dossier voor diverse relaties ingericht, zodat ze altijd hun laatste loonstrookjes en loonaangiften kunnen downloaden.”
 

diensten

wat wij voor u kunnen betekenen

We gaan ervoor om uw boekhouding, loonadministratie, jaarcijfers, fiscale aangiften deskundig en zo efficiënt mogelijk voor u te verzorgen tegen een aantrekkelijke prijs. Ondernemen is al duur genoeg.
Doet u een deel van uw boekhouding zelf? Dan helpen we u graag met onderdelen, zoals de jaarrekening en coachen we u als u tegen problemen aanloopt of vragen hebt.

boekhouding

jaarcijfers

salaris- administratie

aangiften

fiscaal advies

boekhouding;


We werken met Exact Online. U dient uw nota’s makkelijk digitaal in en ze worden automatisch verwerkt in een handig overzicht: de balans en de winst- en verliesrekening. Op elk moment heeft u online inzage in uw boekhouding. Heeft u daarover vragen? Dan nemen wij graag de cijfers met u door.

jaarcijfers;


Als u door ons de complete boekhouding laat verzorgen, dan stellen wij ook de jaarstukken op. Deze jaarstukken zijn weer de basis voor de belastingaangifte die we voor u doen en we leveren de stukken ook aan bij de Kamer van Koophandel. Hierbij zetten wij de automatisering optimaal in om zo efficiënt mogelijk te werken.

Doet u de administratie zelf? Dan vatten wij uw boekhouding samen, we rubriceren en analyseren de cijfers en verzorgen een overzichtelijke rapportage voor u.

salarisadministratie;


We voorzien uw personeel tijdig van loonstroken, we rekenen u de gevolgen van nieuw personeel voor, zodat u de werkgeverslasten en de loonbelastingaangiften kunt inschatten.
Dit proces gaat grotendeels digitaal via uw persoonlijke, digitale omgeving.

aangiften;


Van Helden doet de aangiften voor de omzetbelasting meestal per kwartaal, de aangifte loonbelasting maandelijks en de inkomstenbelasting jaarlijks. Voor een BV doen we jaarlijks de aangifte voor de vennootschapsbelasting.
Ons uitgangspunt is, dat belasting betalen nodig is om gemeenschappelijk kosten te delen, maar dan willen we wel graag dat dat op een eerlijke manier gebeurt en verdeeld wordt.
Wij zullen de fiscale ruimte die er is, dan ook benutten en zo nodig met de belastingdienst de discussie aangaan als er onterecht wordt afgeweken van onze aangifte.

fiscaal advies;


Ondernemers kunnen bij ons ook terecht voor fiscaal advies, daarvoor is het niet nodig dat wij ook uw boekhouding of jaarstukken verzorgen. Wij zien het als onze taak om u zo goed mogelijk te adviseren als we bij uw boekhouding fiscale aspecten tegenkomen.

Mocht u fiscale vragen hebben, dan beantwoorden we die graag. Binnenkort kunt u kiezen uit verschillende abonnementsvormen wat betreft fiscaal advies en fiscale begeleiding.

 

van helden fonds

Van Helden fonds: wat wij teruggeven

 

vraag & antwoord

wat is uw vraag?

1

hoe gaat Van Helden in de praktijk te werk?

We maken met u een afspraak bij ons op kantoor of bij u. We hechten eraan dat er een klik is tussen adviseur en klant. Zijn we het eens over het werk en de kosten? Dan maken we vervolgafspraken over oa. de frequentie van rapportages en deadlines van de belastingen.

2

waar kan ik inloggen om mijn cijfers in te voeren?

Dat kan hier: Exact Online

Let op:
U bent altijd zelf verantwoordelijk voor de belastingaangifte. Ook als deze door uw boekhouder is verzorgd en daarin fouten zijn gemaakt.

3

wie is er aansprakelijk voor de aangifte?

Het is onze taak de aangifte deskundig en zorgvuldig te behandelen.
De klant blijft altijd inhoudelijk verantwoordelijk voor zijn of haar belastingaangifte.

4

wat kan ik zelf aan de administratie doen?

U kunt uw hele administratie zelf doen in een eigen boekhoudpakket en ook gebruik maken van Exact Online. Daar kunt u ook facturen aanmaken die direct in de boekhouding worden gezet. Dat bespaart u invoerkosten.

5

met welke boekhoud- pakketten werken jullie?

We werken met King en Exact Online. Daar werken we al heel lang mee. Dit is een degelijk pakket waarop de boekhouding op professionele wijze kan worden gevoerd. Het werkt snel, geeft goed overzicht en financieel inzicht.

6

werkt Van Helden ook samen met derden?

Ons kantoor werkt samen met kleine en grote accountantsbureaus waar het gaat om accountantsverklaringen of complexere fiscale vraagstukken.

7

wat kost het om jullie in te huren?

* Kleine administratie inclusief aangifte btw: vanaf € 50 pm
* Loonadministratie: vanaf € 20 pm
* Jaarrekening of jaarstukken belastingdienst: vanaf € 500 pj
* Belastingaangifte ondernemer: vanaf € 175

8

zijn er minder kosten bij meer diensten?

Bij een combinatie van onze diensten kunnen we efficiënter werken, zodat onze totaalprijs vanaf € 100 per maand kan worden aangeboden.
Dat hangt vooral af van de hoeveelheid en aard van de mutaties in de boekhouding.

9

wanneer moeten mijn aangiften zijn ingediend?

De maand na elk kwartaal moet de aangifte omzetbelasting zijn ingediend en betaald, uiterlijk voor 1 april. Aangiften vennootschapsbelasting uiterlijk voor 1 juni het jaar erop. Als belastingconsulent hebben we de mogelijkheid om gespreid de aangiftes in te dienen.

10

..of
stel
zelf een
vraag

 
 

contact

u vindt ons in utrecht

 

Van Helden B.V.
Othellodreef 45
3561 GS Utrecht

030 262 56 90
info@vanheldenbv.nl

volg ons:

contactformulier

nieuwsbrief ontvangen?

download algemene voorwaarden © van Helden b.v. 2015